Kinderopvang: waarom het in Nederland niet zoals in Zweden is

Ina Brouwer, Aan geen gehuurde borst werd ooit een kind gevoed – historische wortels van werk en moederschap in Nederland en Zweden, 2010

De lange ingewikkelde titel zou je haast doen afschrikken. Maar dat is jammer. Ina Brouwer geeft een heel interessante kijk op de al dan niet werkende Nederlandse moeder door de eeuwen heen. En ze vergelijkt dit met onder andere Zweden. Maar ook met andere Europese landen. Hoe komt het dat vrouwen in Nederland veel minder of in deeltijd werken dan vrouwen in de meeste andere Europese landen? En waarom kwam de arbeidsparticipatie van vrouwen er pas zo laat op gang? Deze vragen worden in een historisch kader geplaatst en beantwoord. Een verassend leuk boek!

Willem Bartel van der Kooi

In Nederland wordt vaak naar Zweden gekeken. Met name als het om kinderopvang gaat. Waarom hebben wij hier in Nederland niet zo’n goed en integraal kinderopvangsysteem als in Zweden? Ina Brouwer geeft hier het antwoord op.
In Nederland vond men het met name vóór en tussen de Wereldoorlogen van de 20ste eeuw niet chique voor een vrouw om te werken. Het straalde armoede uit. Het kostwinnersmodel floreerde: vader werkte en bracht geld binnen, moeder verzorgde thuis de kinderen en het huishouden. Dit was mogelijk omdat er voldoende arbeidskracht voorradig was. En toen dit niet meer voorradig was, viel men terug op gastarbeiders. Niet op vrouwkracht.
In Zweden loste men dit heel anders op. Gedurende de 19e eeuw ontstond er een grote leegloop van het Zweedse platteland. Jonge mannen en gezinnen emigreerden massaal naar de Verenigde Staten om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Begin 20ste eeuw had Zweden te maken met een omvangrijk gebrek aan arbeidskrachten. Er was sprake van een serieuze crisis. Het geboortecijfer moest omhoog om aan voldoende arbeidskrachten te komen. In dit klimaat schreef het wetenschappelijk echtpaar Alva en Bunnar Myrdal het spraakmakende boek Kris i befolkningsfragan (crisis in het bevolkingsvraagstuk). Ze benadrukten dat kinderen voor een moeder geen belemmering moeten zijn om te gaan werken. Dat de staat moet delen in de kosten, of misschien zelfs wel opdraaien ervoor. Ze stelden een heel programma samen: invoering van kinderbijslag, subsidies voor grote gezinnen, publieke gezondheidszorg, gratis schoollunches, gratis onderwijs, gratis crèches, kinderopvang, naschoolse opvang met voldoende aandacht voor sport en cultuur, begeleiding van kinderen tijdens vakanties, ruime speeltuinen en beurzen voor talentvolle leerlingen. Dit programma vormde de basis van het huidige Zweedse model.
In het verlengde hiervan werd in 1939 een wet aangenomen in Zweden die verbood vrouwen te ontslaan wegens huwelijk of zwangerschap. In de rest van Europa en de VS vond een tegenovergestelde beweging plaats.
In de periode van opbouw na de Tweede wereldoorlog, rekruteerde Nederland relatief goedkope (want in het begin zonder familie) arbeidskrachten uit Turkije en Marokko. Zweden kampte met eenzelfde tekort, maar loste dit op door opnieuw in te zetten op arbeidsparticipatie van het vrouwelijke deel van de bevolking.

Ina Brouwer concludeert:
De internationale geschiedenis bewijst dat doorbraken van vrouwen op de arbeidsmarkt – of het nu gaat om toegang tot bepaalde beroepen, gelijke beloning of crèches – vrijwel altijd plaatsvinden in tijden van oorlogsmobilisatie, dreigende bevolkingstekorten of bij een groot tekort op de arbeidsmark. In Nederland zijn de eerste twee factoren eeuwenlang niet aan de orde geweest en de derde factor alleen in bepaalde sectoren en dan met name in de zogenoemde vrouwenberoepen en bij sommige fabrieksarbeid. Bovendien is bij een groot arbeidstekort het werven van gastarbeiders verkozen boven een campagne om gehuwde vrouwen aan het werk te krijgen. Maar vanaf de jaren zestig gaat het beeld kantelen.

Tot slot
De titel verwijst naar het 18e eeuwse Frankrijk, waar het met name in de betere kringen in Parijs gebruikelijk was zuigelingen direct na geboorte naar een min op het platteland te sturen. Pas na een aantal jaren keerden de kinderen terug naar hun welgestelde ouders. Echter een groot deel van hen keerde nooit terug. De babysterfte was ongelooflijk hoog. Meer dan een kwart van de Franse kinderen stierf in het eerste levensjaar. Dit had onder andere te maken met de armzalige omstandigheden waarin de min vaak leefde. Of de barre reis die de zuigeling maakte in de eerste levensdagen om de min te bereiken.
In Nederland was het inhuren van een min niet gebruikelijk. Nederlandse vrouwen voedden hun kinderen zelf en gingen daar prat op. Op Nederlandse schilderijen uit die periode zie je vaak kinderen afgebeeld. Kinderen waren onderdeel van de maatschappij. In Zweden zie je eenzelfde cultuur. Het was pas later dat Nederland en Zweden ieder een ander pad verkozen.