Je merkt gewoon helemaal niet dat je zwanger bent!

zwanger solliciteren

Ik sprak er pas op een feestje over met een fijne bekende. Het fenomeen dat je er tijdens je eerste zwangerschap prat op gaat dat er hé-le-maal niets aan je te merken valt! Jij gaat gewoon door alsof er niets aan de hand is. Vergaderingetje plannen aan het einde van de dag? Geen probleem hoor, ik ben wel zwanger maar niet ziek of zo. Duh! Die houding, die herinner ik me nog maar al te goed. Daar was ik trots op. Bij de tweede heb ik het ook nog geprobeerd, maar het lukte me minder, want ja, ik vond het eigenlijk best wel zwaar. En ik was ongelooflijk opgelucht dat de verloskundige 6 weken voor de uitgerekende datum – toen ik op mijn werk vlug-vlug-dat-klusje-klaar-ik-nog-wel-ff een ware race tegen de klok waggelde -, tegen me zei dat ik nu, stante pede moest stoppen met werken en aan mijn kind moest gaan denken. Opgelucht en verdrietig. Want het voelde toch of ik ergens steken liet vallen. Aan twee kanten eigenlijk. Naar het kindje in mijn buik. Had ik haar wel voldoende aandacht gegeven? Maar ook naar mijn werk toe. Een gevoel van falen. Bleek ik helaas niet die sterke berin die ik zo graag wilde zijn. Hadden ze tóch iets aan mij gemerkt!

Jaarringen verf, zaagsel en plaksel

 

Ik sta met mijn handen in het sop een kwastenblok (je kent ze nog wel, uit je eigen lagere schooltijd) schoon te maken. Er valt weinig eer te behalen aan de kast met kwasten, lijm, potloden en scharen. Ieder jaar weer – zo tegen de zomer – komen er moeders met emmers en doeken die zich ijverig op de stoeltjes, tafeltjes en kasten van de klas storten. Om elk jaar weer te concluderen dat het aftandse oude meuk is waar hoogstens een jaar stof van af te krabben valt maar de jaarringen verf, zaagsel en plaksel zich niet los laten weken. Ook dit jaar niet.

Ik kom wat later, de andere moeders staan zich al in het zweet te werken. In de buurklas zie ik een moeder op haar hurken in de weer, om vooral ook de onderkant van een stoel schoon te krijgen. Alles moet dit jaar in dozen, de klassen krijgen een opknapbeurt. Af en toe schuift er een achtste-groeper het lokaal in om een doos af te voeren. Goed dat de school leerlingen inzet. Je ziet ze onhandig aan dozen trekken, ze pakken ze bij voorkeur aan de flappen vast, hebben nog niet geleerd dat het écht handiger is om je handen onder de doos te plaatsen. Maar hun hoofden staan gewichtig. Grappig is dat,  denk ik, kinderen vinden het gewoon hartstikke leuk om te helpen!

Alles pais en vree. Dit systeem werkt. Het systeem van de poetsende moeders met emmers en lapjes. Alleen wáár zijn de vaders? In al die jaren dat ik help met de zomer schoonmaakbeurt in de klas van mijn kinderen ben ik één keer een verdwaalde vader tegengekomen. En dit bleek een Duitse vader. Dus dat telt niet mee.  Hij vond het heel vanzelfsprekend dat hij zijn handen uit de mouwen stak daar waar het op sop en spons aankomt. Niet representatief voor de gemiddelde Nederlandse vader. Toch? Ik heb geen enkel probleem met schoonmaken op school. Vind het altijd wel gezellig. Als je geluk hebt pik je een beetje les mee, kun je eens zien hoe dat gaat. Het is ook altijd goed voor de sociale contacten zodat je de komende tien jaar niet verloren op het schoolplein hoeft te staan maar hier en daar een praatje aan kunt knopen. En daarbij houd ik er gewoon van te weten wat er op school gebeurt en wie er rondlopen. Anders functioneer ik niet goed. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Het is een soort eerste levensbehoefte; kennis vergaren over mijn omgeving en die van mijn kinderen en daarin dan een plek zien te veroveren. Kennelijk is dat iets voor vrouwen?!

 

De afgelopen weken stond de taakverdeling tussen man & vrouw weer volop in de belangstelling. In de Volkskrant van zaterdag 5 november 2011 schreef Lars Anderson  een boeiend stuk over zorgvaders en hun (gebrek aan) status. In dezelfde krant schreef Maaike Gerritsen op 31 oktober 2011 ‘Een pleidooi voor de 60-urige geziensweek’.

Crocodile mom!

 

Ken je haar, de Tiger Mom? Ik moet zeggen, ik kan haar wel waarderen. Gewoon eens even een totaal ander geluid. Tuurlijk, ze gaat tegen alle Westerse (Nederlandse?) opvoedtheorieën en onderbuikgevoelens in. Want zij zegt doodleuk tegen haar dochter dat ze de tekening die dochter voor haar gemaakt heeft niet mooi genoeg vindt “foeilelijk, ga een nieuwe maken!”. En ze duwt haar andere dochter honderd jaar pianoles en miljoen uur pianostudie door haar kleine meisjesstrotje. Dat soort van dingen. Dat zijn we hier niet meer gewend. En het is ook niet zo dat ik dat nou meteen goedkeur, laat staan ambieer. Ik moet er niet aan denken zo op te voeden. Maar ik krijg wel eens het gevoel dat we hier iets toch niet helemaal goed doen. Dat we wel érg op onze kinderen gefocust zijn. En eigenlijk vind ik het niet normaal dat mijn kinderen dát heel normaal vinden. Ik heb toch echt de illusie dat ik meer ontzag voor mijn ouders had dan mijn kinderen voor mij. Toch?
Gister zag ik een rood aangelopen moeder met twee schreeuwende kinderen op de fiets. Je kon moeder nauwelijks zien want er zat een enorme reuze krokodil om haar heen gewikkeld. Van pluche wel te verstaan. Het kostte haar vreselijk veel moeite om de fiets met wiebelende, schreeuwende kinderen inclusief school- en gymtassen én de krokodil in bedwang te houden. De groenteboer riep haar toe, ‘wat heb jij nou om je nek?’. Op het paars aangelopen hoofd verscheen onmiddellijk een strakke glimlach ‘themaweek dieren op school, leuk he?’ klonk haar stem over straat. Op dat soort momenten denk ik, we slaan hier een beetje door in onze opvoeding. Misschien moet ik crocodile mom eens met tiger mom in contact brengen?!

foto jimmiehomeschoolmom

Kinderopvang: waarom het in Nederland niet zoals in Zweden is

Ina Brouwer, Aan geen gehuurde borst werd ooit een kind gevoed – historische wortels van werk en moederschap in Nederland en Zweden, 2010

De lange ingewikkelde titel zou je haast doen afschrikken. Maar dat is jammer. Ina Brouwer geeft een heel interessante kijk op de al dan niet werkende Nederlandse moeder door de eeuwen heen. En ze vergelijkt dit met onder andere Zweden. Maar ook met andere Europese landen. Hoe komt het dat vrouwen in Nederland veel minder of in deeltijd werken dan vrouwen in de meeste andere Europese landen? En waarom kwam de arbeidsparticipatie van vrouwen er pas zo laat op gang? Deze vragen worden in een historisch kader geplaatst en beantwoord. Een verassend leuk boek!

Willem Bartel van der Kooi

In Nederland wordt vaak naar Zweden gekeken. Met name als het om kinderopvang gaat. Waarom hebben wij hier in Nederland niet zo’n goed en integraal kinderopvangsysteem als in Zweden? Ina Brouwer geeft hier het antwoord op.
In Nederland vond men het met name vóór en tussen de Wereldoorlogen van de 20ste eeuw niet chique voor een vrouw om te werken. Het straalde armoede uit. Het kostwinnersmodel floreerde: vader werkte en bracht geld binnen, moeder verzorgde thuis de kinderen en het huishouden. Dit was mogelijk omdat er voldoende arbeidskracht voorradig was. En toen dit niet meer voorradig was, viel men terug op gastarbeiders. Niet op vrouwkracht.
In Zweden loste men dit heel anders op. Gedurende de 19e eeuw ontstond er een grote leegloop van het Zweedse platteland. Jonge mannen en gezinnen emigreerden massaal naar de Verenigde Staten om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Begin 20ste eeuw had Zweden te maken met een omvangrijk gebrek aan arbeidskrachten. Er was sprake van een serieuze crisis. Het geboortecijfer moest omhoog om aan voldoende arbeidskrachten te komen. In dit klimaat schreef het wetenschappelijk echtpaar Alva en Bunnar Myrdal het spraakmakende boek Kris i befolkningsfragan (crisis in het bevolkingsvraagstuk). Ze benadrukten dat kinderen voor een moeder geen belemmering moeten zijn om te gaan werken. Dat de staat moet delen in de kosten, of misschien zelfs wel opdraaien ervoor. Ze stelden een heel programma samen: invoering van kinderbijslag, subsidies voor grote gezinnen, publieke gezondheidszorg, gratis schoollunches, gratis onderwijs, gratis crèches, kinderopvang, naschoolse opvang met voldoende aandacht voor sport en cultuur, begeleiding van kinderen tijdens vakanties, ruime speeltuinen en beurzen voor talentvolle leerlingen. Dit programma vormde de basis van het huidige Zweedse model.
In het verlengde hiervan werd in 1939 een wet aangenomen in Zweden die verbood vrouwen te ontslaan wegens huwelijk of zwangerschap. In de rest van Europa en de VS vond een tegenovergestelde beweging plaats.
In de periode van opbouw na de Tweede wereldoorlog, rekruteerde Nederland relatief goedkope (want in het begin zonder familie) arbeidskrachten uit Turkije en Marokko. Zweden kampte met eenzelfde tekort, maar loste dit op door opnieuw in te zetten op arbeidsparticipatie van het vrouwelijke deel van de bevolking.

Ina Brouwer concludeert:
De internationale geschiedenis bewijst dat doorbraken van vrouwen op de arbeidsmarkt – of het nu gaat om toegang tot bepaalde beroepen, gelijke beloning of crèches – vrijwel altijd plaatsvinden in tijden van oorlogsmobilisatie, dreigende bevolkingstekorten of bij een groot tekort op de arbeidsmark. In Nederland zijn de eerste twee factoren eeuwenlang niet aan de orde geweest en de derde factor alleen in bepaalde sectoren en dan met name in de zogenoemde vrouwenberoepen en bij sommige fabrieksarbeid. Bovendien is bij een groot arbeidstekort het werven van gastarbeiders verkozen boven een campagne om gehuwde vrouwen aan het werk te krijgen. Maar vanaf de jaren zestig gaat het beeld kantelen.

Tot slot
De titel verwijst naar het 18e eeuwse Frankrijk, waar het met name in de betere kringen in Parijs gebruikelijk was zuigelingen direct na geboorte naar een min op het platteland te sturen. Pas na een aantal jaren keerden de kinderen terug naar hun welgestelde ouders. Echter een groot deel van hen keerde nooit terug. De babysterfte was ongelooflijk hoog. Meer dan een kwart van de Franse kinderen stierf in het eerste levensjaar. Dit had onder andere te maken met de armzalige omstandigheden waarin de min vaak leefde. Of de barre reis die de zuigeling maakte in de eerste levensdagen om de min te bereiken.
In Nederland was het inhuren van een min niet gebruikelijk. Nederlandse vrouwen voedden hun kinderen zelf en gingen daar prat op. Op Nederlandse schilderijen uit die periode zie je vaak kinderen afgebeeld. Kinderen waren onderdeel van de maatschappij. In Zweden zie je eenzelfde cultuur. Het was pas later dat Nederland en Zweden ieder een ander pad verkozen.