Jaarringen verf, zaagsel en plaksel

 

Ik sta met mijn handen in het sop een kwastenblok (je kent ze nog wel, uit je eigen lagere schooltijd) schoon te maken. Er valt weinig eer te behalen aan de kast met kwasten, lijm, potloden en scharen. Ieder jaar weer – zo tegen de zomer – komen er moeders met emmers en doeken die zich ijverig op de stoeltjes, tafeltjes en kasten van de klas storten. Om elk jaar weer te concluderen dat het aftandse oude meuk is waar hoogstens een jaar stof van af te krabben valt maar de jaarringen verf, zaagsel en plaksel zich niet los laten weken. Ook dit jaar niet.

Ik kom wat later, de andere moeders staan zich al in het zweet te werken. In de buurklas zie ik een moeder op haar hurken in de weer, om vooral ook de onderkant van een stoel schoon te krijgen. Alles moet dit jaar in dozen, de klassen krijgen een opknapbeurt. Af en toe schuift er een achtste-groeper het lokaal in om een doos af te voeren. Goed dat de school leerlingen inzet. Je ziet ze onhandig aan dozen trekken, ze pakken ze bij voorkeur aan de flappen vast, hebben nog niet geleerd dat het écht handiger is om je handen onder de doos te plaatsen. Maar hun hoofden staan gewichtig. Grappig is dat,  denk ik, kinderen vinden het gewoon hartstikke leuk om te helpen!

Alles pais en vree. Dit systeem werkt. Het systeem van de poetsende moeders met emmers en lapjes. Alleen wáár zijn de vaders? In al die jaren dat ik help met de zomer schoonmaakbeurt in de klas van mijn kinderen ben ik één keer een verdwaalde vader tegengekomen. En dit bleek een Duitse vader. Dus dat telt niet mee.  Hij vond het heel vanzelfsprekend dat hij zijn handen uit de mouwen stak daar waar het op sop en spons aankomt. Niet representatief voor de gemiddelde Nederlandse vader. Toch? Ik heb geen enkel probleem met schoonmaken op school. Vind het altijd wel gezellig. Als je geluk hebt pik je een beetje les mee, kun je eens zien hoe dat gaat. Het is ook altijd goed voor de sociale contacten zodat je de komende tien jaar niet verloren op het schoolplein hoeft te staan maar hier en daar een praatje aan kunt knopen. En daarbij houd ik er gewoon van te weten wat er op school gebeurt en wie er rondlopen. Anders functioneer ik niet goed. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Het is een soort eerste levensbehoefte; kennis vergaren over mijn omgeving en die van mijn kinderen en daarin dan een plek zien te veroveren. Kennelijk is dat iets voor vrouwen?!

 

De afgelopen weken stond de taakverdeling tussen man & vrouw weer volop in de belangstelling. In de Volkskrant van zaterdag 5 november 2011 schreef Lars Anderson  een boeiend stuk over zorgvaders en hun (gebrek aan) status. In dezelfde krant schreef Maaike Gerritsen op 31 oktober 2011 ‘Een pleidooi voor de 60-urige geziensweek’.

Handjas

 

 

Ik had er eigenlijk nog nooit zo over nagedacht. Afgelopen herfst was ik in Londen bij vrienden. We wandelden door Regent Park, aten fish & chips (of course!) en bezochten het Albert & Victoria museum. Het restaurant van dit museum is een absolute aanrader kan ik je vertellen. Heerlijke koffie en fantastische baksels. Toen ik daar zo lekker mezelf te goed zat te doen aan chocoladetaart en een appel-kaneelmuffin, viel me opeens op wat er allemaal in en uit de jaszakken van de mannen om me heen kwam. Handschoenen en wanten, oké. Sleutels snap ik ook nog. Maar mutsen, (hele!) zaterdagbijlages, portemonnees, I-pads, mobiele telefoons, regencapes, labello’s…. “Dat past toch allemaal niet?!” riep ik verontrust toen vriend M. mij de inhoud van zijn linkerjaszak liet zien. Ja hoor dat paste prima. “Vergeet niet dat de jas van een man, de tas van een vrouw is” zei hij terwijl hij tevreden zijn tas aantrok.