De Unit: gezin (en het managen ervan)

Een leuke vraag was het. Aan het begin van de trainingsdag. De zogenaamde ice breaker, om de boel een beetje los te krijgen en om elkaar beter te leren kennen. “Waar ben je goed in thuis?”. We begonnen allemaal driftig te pennen. Daarna volgde het rondje. Eén voor één vertelden we elkaar de dingen die we hadden opgeschreven. Zeker vier van de tien aanwezigen gaven aan goed te zijn in de logistiek op het thuisfront; het managen van de gymtassen en broodtrommels, de sociale agenda, de sport- en muzieklessen, de cadeautjes voor jarige vriendjes, de verzorging van de huisdieren, afspraken met de tandarts, boodschappen enz. enz. Met andere woorden, het draaiend houden van de Unit gezin. Het viel me natuurlijk meteen op dat het allemaal vrouwen waren die aangaven hier goed in te zijn. Maar vooral ook dat dit even heel en passant werd genoemd. Zo van, nou ik ben goed in het bakken van een cake, in gitaar spelen en in het organiseren van mijn gezin. Het is me nogal wat!
Ik moest denken aan een vriend. Hij kreeg eens te horen op een functioneringsgesprek dat hij beter moest leren plannen. Dat overviel hem een beetje. Dus dacht hij even na. Even maar, want het kwartje viel heel snel. ‘Naast mijn fulltime baan ben ik vader van vier kleine kinderen. We hebben de taken thuis gelijk verdeeld en geloof me: nog nooit, werkelijk nóóit is er een maaltijd overgeslagen of iemand zonder schone onderbroek, gymtas of broodtrommel de deur uitgegaan, dus ga mij niet vertellen dat ik niet kan plannen!” En daarin had hij natuurlijk helemaal gelijk. Het kunnen organiseren van een gezin is een kwaliteit die je niet moet onderschatten. Zeker in combinatie met een baan! Lijkt me een zeer waardevolle eigenschap voor werkgevers om op te selecteren. Dus komt dit je bekend voor? Zet dan bij deze ‘plannen en managen’ op je lijst met kwaliteiten. Check!

Watermeisjes

 

Ooit studeerde ik Hebreeuws. Eén van de leukste woorden die ik geleerd heb is bakboek. Dat betekent fles. Terwijl wij kloek-kloek-kloek (of klok-klok-klok) zeggen om het geluid na te bootsen van water dat ingeschonken wordt in een glas, zeg je in het Hebreeuws bakboek-bakboek-bakboek. Zeg het maar eens een paar keer snel mompelend achter elkaar. Geinig niet? Klinkt toch net als het geluid van ingeschonken water? Ik moet er vaak aan denken als ik mijn waterflesje sta bij te vullen, op mijn werk bij de gemeente. Bij zo’n groot waterapparaat, met een doorzichtig reservoir erboven. Een soort mega fles. Als je daar uit tapt, hoor je echt een mega BAKBOEK.
Maar, is het heel vervelend als ik opmerk dat ik denk dat deze apparaten naar alle waarschijnlijkheid door mannen worden gemaakt? Of laat ik het anders zeggen. Ik betwijfel of er vrouwen worden geraadpleegd bij het ontwerpen van waterapparaten? Eigenlijk zou ik eens moeten turven. Ik durf de stelling aan te gaan dat 9 op de 10 afnemers van het waterapparaat, vrouw is. Je kent ze wel. Vrouwen die de hele dag met een flesje rondlopen. Vrouwen zoals ik. Die minimaal 3 x per dag hun flesje bijvullen. Want daar voelen ze zich lekker bij. En nee, dan heb je niet genoeg aan zo’n plastic bekertje dat meestal in een soort zielige slurf naast het apparaat hangt. Eén grote bakboek en het is leeg. Mijn punt is, dat die apparaten zo gemaakt zijn dat je er net een bekertje onder kan houden, maar dat een flesje er (eigenlijk) niet onder past. Met wat vernuftig kunst en vliegwerk – laat dat maar aan de watermeisjes over – kom je een heel eind, maar handig is het niet! En nu hebben we twee nieuwe apparaten. Allebei verschillend. De één is zo mogelijk nog onhandiger dan de ander. Niet alleen past er geen flesje onder de kraantjes waaruit je tapt, de kraantjes zitten ook nog eens op navelhoogte. Je moet dus bukken om te zien waar het water precies uitkomt anders bakboekt de hele boel op de vloer. Geen vooruitgang. Duzzz. Ik zeg: maak die kraantjes wat hoger en zorg dat er een flesje onder past! Of laat even een vrouw meekijken naar het ontwerp!

In de watten/luren gelegd

Daar sta ik dan, met een flesje nagellak in mijn handen. Ik was namelijk even bij de Douglas naar binnen gelopen, omdat ze zonnebrand in de aanbieding hebben. Ik weet heus wel dat die van de Trekpleister volgens de Consumentenbond het beste uit alle testen komt, maar ik vind het gewoon fijn om af en toe in de watten gelegd te worden door de dames van Douglas. Die van Ici Paris zijn daar echt minder goed in vind ik persoonlijk. Bij de Douglas kun je zo lekker in die illusie glijden. Dat ze écht het beste met je voor hebben en dat ze je gewoon even een beetje op weg helpen. Naar een prachtige huid of een smashing oogopslag. Ik laat me uitvoerig informeren over de zonneproducten. Heerlijk! En van de zonnebrand komen we bij de dagcrème en zo wandelen we de hele winkel door. Ik volg de keurig gekapte en gestylde vrouw als een braaf hondje. “En als u nou helemaal hip wilt zijn deze zomer, dan moet u voor deze nagellak gaan!” ze houdt me een potje voor. Dat doet het hem. Die woorden triggeren me. Natuurlijk wil ik helemaal hip zijn. Deze zomer. Doet u mij die maar. Daar had ik nou net zin in! En of ik wel eens over de klantenkaart had gedacht. ‘Nou’, lach vrolijk ‘u bent een heel goed verkoopster, maar nee, ik wil geen klantenkaart”. Ik reken tevreden af. Die kaart kun je heus niet zomaar aan mij slijten. Ha! Thuis bekijk ik blij mijn schatten. En dan komt ie opeens keihard binnen: reality call!! Groene nagellak, WHAT was I thinking?!

 

Foto: www.freshtoo.nl Voor wie wél hip wil zijn deze zomer!

Kinderspits

Ik sta op het schoolplein, aan het einde van een ‘lange dag’. Er wordt druk onderhandeld. Tussen kinderen onderling en tussen kinderen en hun ouders. Want er kan (moet?) gespeeld worden, bij elkaar. Ik heb het over de kinderen uiteraard, niet over de ouders voor zover ik weet. Het is een heel gedoe en sinds kort heb ik een nieuwe speler in dit spel ontdekt. De mensen in de groene bodywarmers, de leidsters van de BSO (met af en toe een zeldzame leider). Want er zijn ook kinderen die eigenlijk naar de BSO moeten, maar die liever nog bij een vriendje of vriendinnetje gaan spelen. En als je als kind een beetje mazzel hebt, dan bezit je ‘een contract’ bij de BSO. Wat inhoudt dat je je ouders zo gek hebt gekregen een formulier te tekenen waarop staat dat jij toestemming – en daarmee een heel nieuwe optie! – hebt om op BSO dagen bij een vriendje te crashen. Enfin, een heel gedoe dus. Na ongeveer een kwartier zijn alle kaarten geschud en is iedereen er uit. Op naar huis dan maar. Groepsgewijs verlaten de kinderen samen met hun vriendjes het schoolplein. Vandaag loop ik met één kind naar huis. De ander heeft zichzelf bij een vriendinnetje uitonderhandeld. Als ik om een uur of vijf op mijn fiets stap om haar op te halen bij haar onderhandelingspartner, vliegen de moeders op fietsen me om de oren. Het is kinderophaalspitsuur. En dat is een serieus spitsuur dat je niet moet onderschatten. Iets waar ik, toen ik hier tien (nouja ietsje meer alweer) jaar geleden studeerde, totaal geen weet van had.